Web Analytics
Startpagina | DISCLAIMER en CONTACT
U bevindt zich hier: Startpagina » Uittips » Tuinen

Mien Ruys

Mien Ruys 1904-1999 tuinarchitecte

Andere informatie dan over Mien Ruys?

TUINARCHITECTE MIEN RUYS

heeft haar opleiding genoten aan de Hogeschool voor Tuinarchitectuur Berlin Dahlem. Mien Ruys werd geboren op 12 april 1904 op de toen al internationaal bekend staande kwekerij Moerheim. Haar vader Bonne Ruys begon deze kwekerij in Dedemsvaart in 1888.
De kwekerij richtte zich aan het begin van de eeuw op vaste planten, rozen, zaden en vruchtbomen, later werd de cultuur van vaste planten hoofdzaak.

KWEKERIJ MOERHEIM

De kwekerij bestaat nog steeds. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam de klad in de handel in vaste planten (vooral naar het buitenland), zodat er naar andere mogelijkheden werd gezocht. Om die reden heeft Bonne Ruys in 1916 een afdeling Tuinarchitectuur opgericht.
Als hoofd van de afdeling werd de tuinarchitect J.W.M. Sluiter aangetrokken, later opgevolgd door zijn collega J.O.W.F. Rens.
Hier begon Mien Ruys in 1923 te werken. ‘Heden is mijn loopbaan begonnen', schreef Mien Ruys (1904) op 19-jarige leeftijd in haar dagboek. Bij Moerheim (Koninklijke Kwekerij Moerheim v/h B. Ruys B.V), de in die tijd wereldvermaarde vaste plantenkwekerij van haar ouders in Dedemsvaart, was toen voorzichtig een begin gemaakt met een afdeling ontwerpen. Mien kreeg daar al spoedig de leiding van, want haar belangstelling gold niet zozeer het kweken van planten, maar veel meer hun toepassing in tuin en landschap

HOE HET ALLEMAAL BEGON

In 1925 legde ze haar eerste tuin (de schaduwtuin of verwilderingstuin) aan en schreef ze haar eerste artikel in het tijdschrift Buiten.
Mien Ruys heeft haar kennis opgedaan in de praktijk in Dedemsvaart en gedeeltelijk ook in Engeland en Duitsland.
Ze werkte in 1928 op de kwekerij Wallace & Sons en in datzelfde jaar ontmoette ze Gertrude Jekyll op Munstead Wood. In 1929 volgde zij een opleiding in Berlin-Dahlem aan de Hogeschool voor Tuinarchitectuur, omdat er toen in Nederland in die richting nog geen opleidingen bestonden, studeerde ze enige tijd in Berlijn en volgde ze stages in Engeland. Vakliteratuur bestond in die tijd nauwelijks of niet.

In 1930 werd Mien hoofd van de afdeling Tuinarchitectuur van Moerheim, als opvolger van Rens. In de volgende jaren volgde Mien Ruys in Delft colleges bij professor Granpré Molière, wiens traditionalistische ontwerpopvattingen ze overigens niet deelde.
Om zelf ervaring op te doen experimenteerde ze met vormen en planten in de moestuin van haar ouders. Vanuit het ouderlijk huis trok ze een kaarsrecht pad de tuin in, tot tussen de vruchtbomen. Daar maakte ze een dwarspad en precies op de kruising een kleine vierkante vijver. Rond die vijver en onder de bomen zette ze alle planten die ze mooi vond. Na een jaar was daar weinig van over. Ze had planten gebruikt die thuishoren op een kalkrijke bodem en niet wilden gedijen op de wat zurige grond in Dedemsvaart. Ze moest kiezen. Of de bodemgesteldheid veranderen of het plantenassortiment aanpassen. Het werd het laatste en dit werd voor haar een belangrijke stelregel: kiezen voor planten die thuishoren bij de gegeven omstandigheden.

HAAR ONTWERPEN: EENVOUD EN HELDERHEID

In de jaren '30 studeerde ze enige jaren architectuur en werd beïnvloed door de zg. Delftse School, een architectuur met zware, statige, monumentale gevels. Maar haar hart ging uit naar eenvoud en helderheid en dat leidde ertoe dat ze ging samenwerken met een groep belangrijke architecten uit Amsterdam (“de 8”) en Rotterdam (“de Opbouw”). Enkele namen uit deze groep zijn Merkelbach en Rietveld.

In 1937 verhuisde Ruys met de afdeling Tuinarchitectuur naar Amsterdam, alwaar het bureau nog steeds gevestigd is. Na de Tweede Wereldoorlog werkte ze geregeld samen met architecten van 'De 8' uit Amsterdam. Ze had veel contact met kunstenaars en architecten uit de Moderne Beweging maar slechts weinig met andere tuinarchitecten, behalve met J.T.P. Bijhouwer met wie ze in 1960 een boekje schreef: Leven met groen in landschap, stad en tuin.

Haar biograaf Reinco Geertsema onderscheidde drie periodes in haar werk.
Tot omstreeks 1945 waren haar opdrachten in hoofdzaak grotere particuliere tuinen, waar de vaste plantenborder altijd een hoofdrol speelde. Na de oorlog, de tijd van wederopbouw, had ze veel werk voor woningbouwverenigingen en maakte ze veel ‘gemeenschappelijke tuinen'.
Veel ontwerpen uit die periode werden gekenmerkt door schuine lijnen.
Op zoek naar een optimaal gebruik van de buitenruimte ontwierp ze paden, terrassen en plantvakken onder een schuine hoek ten opzichte van de gebouwen en in contrast ermee.
Zo kreeg ze in die periode de bijnaam ‘Schuine Mien'. Vanaf de jaren '60 werden de schuine lijnen weer recht, met vaak strakke blokken van geschoren groen in contrast met een uitbundig gebruik van vaste planten.
Altijd zocht ze naar de essentie van de ruimte en de mogelijkheden van de plek; een eenvoudige, functionele indeling, met een losse, natuurlijke beplanting. Dit laatste onderscheidde haar van haar collega's uit die tijd. Ook zij zochten naar eenvoud en helderheid, maar vonden vaste plantenborders een onnodige versiering. Mien Ruys meende daarentegen dat vaste planten juist de natuurbeleving in een tuin mogelijk maken, een in haar ogen belangrijke functie van de tuin. Waarschijnlijk juist hierdoor ontving ze veel opdrachten voor particuliere tuinen en kreeg ze met haar ideeën in de loop der tijd veel navolgers.

ZELFSTANDIG ARCHITECTENBUREAU

In 1966 werd de afdeling tuinarchitectuur officieel een zelfstandig bureau, later met enkele tuinarchitecten uitgebreid.

PROEFTUINEN

Ruys ging zich in deze periode steeds meer toeleggen op beplantingsplannen.
Zij ontwierp een groot aantal privétuinen met vaste plantenborders en veel gemeenschappelijke tuinen tussen flatgebouwen. In de zomer verbleef Mien steeds in Dedemsvaart temidden van haar 25 proeftuinen. De Tuinen Mien Ruys zijn dus proeftuinen. Vanaf het prille begin staat het experimenteren met planten, materialen en vormgeving voorop. Om ervaring op te doen met de planten die op de kwekerij werden gekweekt, experimenteerde ze in de boomgaard en de groentetuin van haar ouders met planten voor zon en schaduw. Die eerste twee tuinen bestaan nog steeds: de verwilderingstuin en de oude proeftuin met de grote border. In de loop der jaren volgden nieuwe proeven.

SPOORBIELZEN EN GRINDTEGELS

Een bekend experiment uit de jaren '60 is de proef met het toepassen van spoorbielzen, hetgeen leidde tot een zeer royaal gebruik van spoorbielzen in de Nederlandse tuinen.
Dit leverde Mien Ruys de naam “Bielzen Mien” op. Ook het gebruik van de uitgewassen grindtegel (de zg. griontegel) komt uit de ideeënkoker van Mien Ruys. De ervaringen waren in eerste instantie belangrijk voor haar tuinarchitectenbureau. Later konden echter ook de lezers van het door Mien Ruys opgerichte kwartaalblad Onze Eigen Tuin en de bezoekers van de Tuinen Mien Ruys volop profiteren van deze kennis en ervaringen.
Mien Ruys overleed in 1999 in Dedemsvaart op 94-jarige leeftijd.


Bron: Library WUR en de website Tuinen Mien Ruys

Meer tuinen - klik op uw keuze

Andere informatie - klik op uw keuze

Website informatie